vrijdag 12 september 2014

Review: Majic Ship - Majic Ship - The Complete Authorized Recordings + Majic Ship

Gear Fab 1997-(GF-107) + Gear Fab 2005-(GF-215)

Één van de eerste uitgaven van het Gear Fab label was de CD "The Complete Authorized Recordings" van Majic Ship uit New York City.
Daarna startte de samenwerking tussen Roger Maglio, eigenaar van Gear Fab en Tom Nikosey, de oorspronkelijke gitarist van Majic Ship, maar tegenwoordig een erg succesvolle graficus in Los Angeles, die de lay-out voor het boekje over Majic Ship deed.
Naar aanleiding daarvan vroeg Roger hem om de lay-out te doen voor zijn verdere CD releases, waar Tom positief op reageerde.
Maar dat terzijde, want het gaat hier tenslotte over the Majic Ship, waarvan de eerste levenstekens in feite in 1964 begonnen, toen een stel school vrienden The Beatles hadden zien optreden in de Ed Sullivan Show.
De volgende ochtend besloten de 13 jarige Tom Nikosey en Ray Rifice samen een band te beginnen en nadat er nog enkele vrienden opgetrommeld waren, vormden ze de band The Primitives, die in eerste instantie instrumentale nummers coverden, maar al snel in de gaten hadden, dat ze behoefte aan een zanger hadden.
Nadat ze die gevonden hadden tijdens het lokale kerk dansfestijn, waar elke vrijdagavond bands optraden, begonnen ze nummers van Britse bands te oefenen en toen er nieuwe bands voor de vrijdagavonden gevraagd werden, gaven ze zich daarvoor op.
The Primitives bestonden toen uit: Tom Nikosey - sologitaar, Ray Rifice - sologitaar, Rob Buckman - drums, John Kharouf - basgitaar en Mike Garrigan - zang.
In september 1965 kregen ze hun eerste optreden op het St.Anselm's dansfestijn en daarna speelden ze gedurende dat jaar regelmatig in eigen omgeving.
Toen ze in 1966 hun eerste eigen song "On The Edge" geschreven hadden, besloten ze die samen met "Mustang Sally" voor $65 als demo op te nemen in de Sanders Recording Studio te Manhattan.
Kort daarop besloot John Kharouf de band te verlaten en hij werd vervangen door Gus Riozzi, die nummers van The Yardbirds, Cream en Them introduceerde en met zijn komst veranderde ook de bandnaam en gingen ze verder als The New Primitives.
Datzelfde jaar kwam ook keyboards speler Jeff Bilotta bij de band en nadat in 1968 Ray Rifice de groep verliet om in Florida te gaan studeren, werd de 50 jarige ex-zanger Johnny Mann hun manager en Philip Polimeni hun nieuwe sologitarist.
Door toedoen van hun manager veranderde de band opnieuw van naam, deze keer in ze Majic Ship en kregen ze een platencontract, waarna de single "Night Time Music" in december 1968 hun debuut werd.
Hun volgende single "Hummin'" belandde overal in de USA in de hitparades en haalde als hoogste notering de tweede plaats.
Na nog twee singles opgenomen te hebben, verliet Jeff Bilotta in de zomer van 1969 de band en ging de rest als vijfmans formatie verder, die besloten dat het tijd werd om een LP uit te brengen en dat resulteerde in de LP "Majic Ship", waar 9 eigen composities en een cover op kwamen te staan.
Om nieuwe nummers te schrijven en te oefenen voor de opvolger van deze LP, huurde de band een appartement op de bovenste etage van een pand in Staten Island, New York, maar helaas voor Majic Ship ging in januari 1971 alles in vlammen op, waarbij voor duizenden dollars aan apparatuur verloren ging, waarvoor de band niet verzekerd was en dat betekende het einde van Majic Ship.
Wat overgebleven is, zijn 4 singles, 1 demo plus 1 LP, die allemaal op "The Complete Authorized Recordings" uit 1997 staan, waarna de LP afzonderlijk opnieuw als "Majic Ship" verscheen in 2005.
De CD begint met een stukje interview en dan hoor je hun debuutsingle "Night Time Music", een rustige popsong, die gevolgd wordt door weer een deel van het interview en de demo van "Mustang Sally", een zwakke uitvoering van deze soul song, waarna het interview weer verder gaat en je de demo van "On The Edge" hoort, een lekkere popsong.
Ook voor de song "Hummin", een prima soulsong, krijg je nog een stuk interview te horen, maar bij "It's Over", een mooie popsong met prima blazerspartijen, is dat niet meer het geval.
"Green Plant" is een prima popsong, die al een beetje progressiever dan de vorige songs klinkt.
Nu krijg je nogmaals een deel van het interview te horen, voordat de band de Bee-Gees song "To Love Somebody" op schitterende wijze speelt, waarna je de single uitvoering van "On The Edge" hoort en deze is door toevoeging van een orkest een stuk voller geworden, maar ik vond de kale versie spontaner klinken.
Ook in "And When It's Over" zit de orkest begeleiding en dit is gewoon een lekker stuk popmuziek.
"Sioux City Blues" is het eerste nummer van de LP, die ook een deel interview bevat, voor het nummer gestart wordt en hierin hoor je meteen het verschil met de voorgaande songs, want het klinkt meteen al een stuk progressiever.
Psychedelische pop hoor je in "Wednesday Morning Dew", een schitterende song in een vrij rustig tempo gespeeld en gevolgd door "Life's Lonely Road", een progressieve rocksong, waarna het interview de muziek weer onderbreekt voordat je de prachtige popsong "We Gotta Live On", met schitterende close harmony hoort.
Majic Ship speelt een erg rustige popsong in "Where Are We Going", maar in "Free" speelt de band weer lekkere progressieve rock.
Dan volgt de Neil Young cover "Down By The River /  For What It's Worth", die vooraf gegaan wordt door alweer een stuk van het interview en Majic Ship speelt in dit geweldige bijna 11 minuten durende nummer de sterren van de hemel.
"Nightmare" is een goede popsong, die gevolgd wordt door het interview en "Too Much" een progressieve popsong, waarna de band de LP afsluit met het fantastisch swingende progressieve "Cosmo's Theme", dat geheel instrumentaal is.
In 1997 maakte Majic Ship een comeback en nam het nummer "Blow Me Away" op, dat lekker swingend klinkt en aangepast is aan de tijd.
De nummers van de LP zijn zonder de interviews ook afzonderlijk op CD te beluisteren in de uitgave, getiteld Majic Ship (GF-215) en persoonlijk vind ik die daarom lekkerder klinken, maar de CD "The Complete Authorized Recordings" is ook niet te versmaden en daarom kan ik beide aanbevelen.

vrijdag 5 september 2014

Review: Christopher - Christopher

Gear Fab 1998-(GF-108)

In 1968 ontstond te Houston, Texas, na eerst United Gas geheten te hebben, de band Christopher, die bestond uit: Richard Avitts - sologitaar en zang, Doug Walden - basgitaar en zang en Doug Tull - drums.
Binnen korte tijd schreven Walden en Avitts een aantal nummers in de hoop er een platencontract mee in de wacht te slepen.
Dat kwam er, toen Metromedia uit Los Angeles de demotapes hoorde, die manager Nick Lee rondgestuurd had.
Metromedia bood de band een tweejarige overeenkomst aan en Christopher verhuisde naar Los Angeles.
De opnamesessies voor de LP begonnen in de lente van 1969, maar werden bemoeilijkt door de aan pillen verslaafde Doug Tull.
Hij vertoonde, tijdens de opnamen, zelfmoordneigingen en werd daardoor uit de band gezet (hij zou later inderdaad zelfmoord plegen).
Voor de rest van de opnamen werd een vervanger gezocht en gevonden in de persoon van Terrence Hand, die tot het uiteen vallen van de band in 1970 bij de band zou blijven.
De LP, die via het Metromedia label verscheen, werd in een oplage van 1000 exemplaren geperst en bevat 10 songs, waarvan "Dark Road" de eerste is en in deze song vertoont de muziek sterke overeenkomsten met die van Cream, waarbij blues en progressieve rock invloeden duidelijk hoorbaar zijn.
Het volgende nummer heet "Magic Cycles", waarin de band een schitterende ballad speelt, die gevolgd wordt door "Wilbur Lite", een vrij progressieve rock song met blues invloeden.
Daarna volgt "In Your Time", waarin de band opnieuw een heerlijke ballad speelt, om te vervolgen met "Beautiful Lady", een prima pop song met prachtige samenzang.
vervolgens speelt de band "Lies", een uitstekende progressieve rock song, waarna "Disaster" te horen is en hierin laat de band weer een lekker in het gehoor klinkende mix van progressieve rock en blues horen.
In "The Wind" speelt Christopher weer een fantastische progressieve blues song en in "Queen Mary" laat de band een lekker stukje progressieve rock horen.
Het laatste nummer heet "Burns Decision" en ook dit is weer zo'n heerlijke progressieve rock song, die in een gemiddeld tempo gespeeld wordt.
Helaas werden er door Metromedia destijds maar 1000 exemplaren geperst van deze schitterende LP, die het beluisteren meer dan waard is.

vrijdag 29 augustus 2014

Review: Merkin - Music From Merkin Manor

Gear Fab 1997-(GF-109)

In 1967 kregen twee high school vrienden uit Provo, Utah het idee een band op te richten, maar het zou nog tot de zomer van 1969 duren voordat ze daar werkelijk in slaagden.
De naam Merkin werd bedacht en de band bestond op dat moment uit: Rocky Baum - zang, Ralph Hemingway - zang, Alan Newell - drums, Kent Balog - basgitaar en Doug Hinkins - sologitaar.
Zoals meestal het geval is, als je een band begint, moest er gerepeteerd worden, maar een oefenruimte bleek moeilijk te vinden.
De oplossing werd gevonden door in de huiskamer van de ouders van Doug te oefenen.
Een manager vonden ze in high school vriend Rod Olsen en deze zorgde voor optredens bij bowlingcentra, lokale scholen en colleges.
In 1970 werd drummer Alan Newell vervangen door Kent's tweelingbroer Gary en Doug door Robert Barney als sologitarist en ook kwam keyboards speler Richard Leavitt bij de band als zesde lid.
Op een vier sporen recorder namen ze in de Brigham Young Universaty Recording Operations Departement twee nummers op: "Maybe Someday" en "Cry On My Shoulder",
maar deze zouden echter nooit uitgebracht worden.
In 1971 vond manager Rod de tijd rijp een platencontract in de wacht te slepen en ze tekenden bij Kommittee Producctions uit Los Angeles.
Het album werd in vier dagen voltooid, maar het zou nog tot februari 1973 duren, voordat het uiteindelijk uitgebracht zou worden.
De CD bevat 13 nummers, waarvan 3 bonustracks en start met "Ruby", een niet onverdienstelijke uptempo pop song, waarin de hoofdrol voor de sologitaar is, waarna "Take Some Time" volgt, waarin de band tot halverwege het nummer een prima pop song laat horen, maar dan overschakelt naar jazz, om even later terug te keren naar de pop.
Het volgende nummer "Todaze" is een lekker in het gehoor klinkende uptempo mix van pop en muziek in de stijl van Santana en swingt als een trein.
Daarna volgt "Sweet Country", een fantastische swingende opgewekte pop song, waarin de honky tonk piano gebruikt wordt, waardoor de muziek erg verrassend klinkt.
In "Goodbye" speelt de band een mooie rustige pop song met prima samenzang en in "Watching You" klinken opnieuw de Santana-achtige klanken, die gemixt met de uptempo pop voor een uitstekend dansbaar nummer zorgen.
Daarna volgt het zeer rustige "King Of Down", waarin de band nogmaals laat horen uitstekend te kunnen samen zingen en dit wordt gevolgd door "The Right One", een swingende pop song, die doorspekt is met funk invloeden en Santana-achtige klanken.
Het volgende nummer heet "Here Together" en hierin speelt de band een prima uptempo pop song, waarna "Walkin'" volgt, een rock song, die in een vrij hoog tempo gespeeld wordt en licht psychedelisch klinkt.
Het onuitgebrachte "Maybe Someday" is het langste nummer van de CD en deze bijna 7 minuten durende song wordt constant in het zelfde ritme en tempo gespeeld, waardoor het licht hypnotiserend klinkt.
Ook de volgende song "Cry On My Shoulder" is niet eerder uitgebracht en hierin brengt de band een uitstekende pop song ten gehore, waarin de basgitarist steeds hetzelfde ritme speelt, waardoor er een licht hypnotisch effect ontstaat.
Het laatste nummer van de CD, "A Father's Song", komt van The Rocky Baum Project uit 1983 en klinkt niet onaardig, maar weinig verfrissend en voegt in feite niets toe aan deze lekker klinkende uitgave.

vrijdag 22 augustus 2014

Review: Shadrack Chameleon - Shadrack Chameleon

Gear Fab 1998-(GF-110)

In 1963 deelden twee goede vrienden uit Fort Dodge, Iowa, Steve Fox en Randy Berka, vele interesses en één er van was muziek.
De beide jongens waren toen 7 en 8 jaar oud en besloten samen akoestische gitaar te leren spelen, om zo rockmuzikanten te worden in navolging van hun grote idolen, The Beatles.
Het zou echter niet meteen lukken een band te beginnen, want in 1964 verhuisde Steve naar Illinois, maar na 3 jaar verhuisde de familie weer terug en vestigde zich in het nabij gelegen Fort Humbolt.
Randy had intussen samen met Jon Porter - orgel, Tom Northup - drums en John Callahan - gitaar de band Lazy River opgericht.
Tom verliet de band om vervangen te worden door Artie Strutzenberg op drums en Mark Flanagan voegde zich bij de band als basgitarist.
Begin 1969 werd Lazy River behoorlijk bekend in de streek en had een hoop belangrijke optredens, onder andere in de populaire Star Ballroom in Dakota City.
Onderwijl had Steve basgitaar leren spelen en richtte zijn eigen band Crosstown Traffic op met daarin Doug Sandvig, Dan Dodgen en John Bradsgard en ook deze band werd populair in de omgeving.
Beide bands kregen echter te maken met conflicten binnen de gelederen en vielen uiteen, waarbij Randy Berka en Jon Porter van Lazy River over bleven en zij vroegen Steve Fox om zich bij hen aan te sluiten.
In naam heette de band nog Lazy River, om de nog lopende contracten te vervullen, maar dit was de eigenlijke start van de band, die onder de naam Shadrack  bekend zou worden.
In de zomer van 1972 hoorde een van de eigenaars van Iowa Great Lakes Records, uit Milford, de band spelen in een lokale club en liet ze de single "It Was Me" / "I Wonder Why" opnemen, waarvan 1000 exemplaren werden uitgebracht.
Er werd in het najaar van 1973 in eigen beheer een LP opgenomen onder de naam Shadrack Chameleon in een studio, die in een oude opslagschuur was gebouwd en als naam Shadrack Recording Studio kreeg, voordat de band er later dat jaar uit elkaar ging.
De bandbezetting op deze LP, waarvan er totaal 300 exemplaren werden uitgebracht, was een mix van bandleden uit Shadrack, Lazy River en Crosstown Traffic.
De LP, die 6 nummers bevat, zijn aangevuld met de single en op CD uitgebracht via het Gear Fab label.
De CD begint met de A-kant van de single "I Wonder Why", een lekker in het gehoor klinkende uptempo pop song, die gevolgd wordt door "It Was Me", dat eveneens in uptempo gespeeld wordt en een uitstekende pop song is.
Het eerste nummer van de LP heet "Chameleon (I Love You)" en is alleen door Steve (zang, sologitaar en basgitaar) en Artie Strutzenberg (drums) opgenomen, waardoor het nummer in het begin ietwat mager klinkt, maar na een tempowisseling, waarin alle instrumenten bespeeld worden, wordt dit een schitterende 7 minuten durende rustige pop song.
In "Long Road To Ole' Miss" speelt de band een fantastische psychedelische pop song, waarin een licht hypnotiserend ritme zit en de muziek enigszins aan die van Neil Young doet denken.
Daarna volgt "Granite Feast", een uitstekende pop song, die in een gemiddeld tempo gespeeld wordt en gevolgd wordt door "That's The Way It's Gotta Be" een prachtige ballad.
Het volgende nummer "Don't Let It Get You Down" is een lekker in het gehoor klinkende pop song, die in de stijl van de muziek van Neil Young gespeeld wordt en het laatste nummer "Beyond Eternity", dat weer alleen door Steve en Artie gespeeld wordt, is een song, die net als "Chameleon" in het begin te mager klinkt en nadat alle instrumenten bespeeld worden, in een prima pop song uitmondt.
Deze uitgave van het Gear Fab label is, net als alle andere, weer een welkome aanvulling op het muzikale jaren 60 en 70 gebeuren van Amerika.

vrijdag 15 augustus 2014

Review: Stack - Above All

Gear Fab 1998-(GF-111)

De band Stack werd in 1967 opgericht en na verscheidene bezettingswisselingen ontstond de uiteindelijke formatie, die erg succesvol zou zijn in zuid Californië.
De band bestond in die tijd uit: Bill Sheppard - zang, Rick Gould - sologitaar, Kurt Feierabend - slaggitaar, Buddy Clark - basgitaar en Rob Ellis - drums.
In 1968 stond Stack in veel voorprogramma's van bekende bands, zoals, Frank Zappa, Bufflao Springfield, Alice Cooper, Iron Butterfly en Three Dog Night.
Tijdens een optreden in een club genaamd Marina Palace, vielen ze op bij Steve Hoffman, die hen een contract aan bood voor Sidewalk Productions en voor ze het wisten, zaten ze aan een achtjarige eenzijdige overeenkomst vast, waarbij de maatschappij alles kreeg en de band niets.
Toch begon de band te werken aan een LP en in verschillende studio's werden de opnamen gemaakt, waaronder Continental en Sun West, waar ook artiesten als Jimi Hendrix, Cream en Steve Winwood hun muziek op namen.
Ook maakte Stack een spot en jingle voor Pepsi, maar de bandleden kregen deze zelf nooit te zien.
Toen de LP tenslotte opgenomen was, bleek dat hij nooit uitgebracht zou worden, op de 15 exemplaren na, die de band zelf kreeg.
De oorspronkelijke LP "Above All" bevat 8 nummers, maar op de CD uitgave van Gear Fab staat een extra nummer.
Het openingsnummer "Poison Ivy" is de enige cover, die op de LP staat en met de uitvoering van The Rolling Stones in mijn hoofd, is dit wel even wennen, want de band speelt deze song een stuk langzamer, maar doet dat niet onverdienstelijk.
Daarna volgt het progressieve "Only Forever", dat zo nu en dan ook lichtelijke psychedelische invloeden bevat en gevolgd wordt door het 7 minuten durende "Da Blues", een schitterende pure en rustige blues song.
Het volgende nummer heet "Cars" en hierin laat de band een geweldige stevige rock song horen, gevolgd door "Everyday", dat eveneens een fantastische rock song is en mede door het lekkere heftige gitaarspel een van mijn favoriete nummers van de plaat is.
In "Valleys" speelt de band opnieuw een uitstekende stevige rock song en in "Time Seller" laat de band een prima progressieve rock song horen, die in een gemiddeld tempo gespeeld wordt.
"Hot Days" is weer zo'n stevige rock song met blues en progressieve rock invloeden en het extra nummer "Do It" is van hetzelfde laken een pak, kortom een lekker stevige rock song.
Waarom de LP ÄBove All" destijds niet uitgebracht werd is mij een raadsel, maar ik ben blij dat Roger Maglio de plaat heeft weten te lokaliseren en alsnog op de markt heeft gebracht.
Een aanrader voor de progressieve rock liefhebber!

donderdag 7 augustus 2014

Review: Blessed End - Movin' On

Gear Fab 1998-(GF-112)

Blessed End kwam uit Springfield en Ridley Park in de buurt van Philadelphia, Pennsylvania en werd in 1968 opgericht door Ken Carson - basgitaar en Jim Shugarts - sologitaar, die beiden op dezelfde high school zaten.
In september 1969 kwam Lenny Perchowski - sologitaar bij het duo en al snel volgden Doug Teti - zang en Mike Petrylak - percussie zijn voorbeeld, zodat de band een feit was.
Na enkele maanden oefenen speelden ze op allerlei feesten en deden mee aan bandjes wedstrijden en bijna elke vrijdag speelden ze in het koffiehuis van de United Methodist Church in Drexel Hill, dat tevens de thuisbasis van de band werd.
In het najaar van 1970 verliet Lenny de band om medicijnen te gaan studeren en kwam keyboards speler Steve Quinzi bij de band, waardoor de muziek van Blessed End veranderde.
De populariteit van de band was intussen zo gestegen, dat de band elk weekend wel ergens speelde en ook werden er eigen songs geschreven, zodat hun repertoire steeds groter werd.
Op een dag kreeg Steve het verzoek van de eigenaar van een lokale opname studio, of hij zijn orgel wilde uitlenen voor een opname sessie in ruil voor opname tijd voor de band.
Natuurlijk was de ruil snel geregeld en na drie maanden hun beste nummers geoefend te hebben, ging de band in de zomer van 1971 The New Sound studio in om ze in 1 dag tijd op te nemen.
In die zelfde week kreeg de band 3 goed betaalde optredens, waarvan de kosten van het persen van 1000 exemplaren konden worden betaald.
Het hoesontwerp en het uitprinten daarvan, werd door de bandleden zelf gedaan en het in eigen beheer gemaakte album, waarop 10 nummers staan, werd tijdens optredens verkocht.
Enkele maanden nadat de band het album had opgenomen, verliet Ken de groep om bij de marine te gaan, waarna de band een andere versie van het nummer "Can't Be Without Her" met een vervanger voor Ken op nam.
Na enkele bezettingswisselingen en verandering van muziekstijl, ging Blessed End tenslotte in 1973 uit elkaar, waarna Jim, Mike en Ken, die om medische redenen de marine verliet, de band Free Beer oprichtten, die later onder de naam Argus optrad en 6 jaar zou blijven bestaan.
De LP begint met "Nightime Rider" een progressieve uptempo rock song, waarin het orgel medebepalend is voor het nummer en dit wordt gevolgd door "Someplace To Hide", eveneens een licht progressieve rock song, die licht psychedelische invloeden bevat.
Daarna speelt de band "Is It Time?" een lekker klinkende licht psychedelische progressieve rock song, waarin het orgel weer op de voorgrond treedt, waarna de band "Sometime You've Got To Be Strong" ten gehore brengt en dit is een heerlijke progressieve rock song met enkele prima tempowisselingen.
In "Movin' On" laat de band een fantastisch stukje progressieve rock met lichte jazz invloeden, dat swingt als een trein en het beste nummer van de plaat genoemd mag worden.
Met "Day Before Tomorrow" speelt de band opnieuw een geweldige progressieve rock song, die in een rustig tempo gebracht wordt en gevolgd wordt door "Dead Man", dat in een hoger tempo gespeeld wordt en swingt.
Vervolgens is het tijd voor de eerste versie van "Can't Be Without Her" en hierin speelt de band een prima rustige pop song, gevolgd door de uptempo rock song "One Stop Woman", waarna het laatste nummer van de LP volgt, getiteld "Escape Train" en hierin speelt de band een schitterend stukje blues in een gemiddeld tempo.
Tenslotte staat de alternatieve uitvoering van "Can'T Be Without Her" op de CD en deze wordt in een iets sneller tempo gespeeld en duurt een halve minuut langer.
De CD "Movin' On" bevat heerlijke 70er jaren muziek, die iedere muziek liefhebber minstens een keer beluisterd moet hebben.

vrijdag 1 augustus 2014

Review: Boa - Wrong Road

Gear Fab 1998-(GF-113)

Boa ontstond in 1969 doordat Ted Burris - basgitaar en Bob Maledon - orgel in Bob's garage aan het jammen sloegen.
Toen sologitarist Paul Manning zich bij hen gevoegd had, begon men serieuze plannen te maken om een band te formeren.
Een extra toetsenist werd gevonden in de persoon van Brian Walton en na lang zoeken werd het eindelijk Richard Allen, die achter de drums plaats nam.
Ze doopten de naam van hun band in Anvil en begonnen een repertoire op te bouwen van covers en zelf geschreven nummers.
Hun eerste optreden vond plaats op 30 januari 1970 , waarna de band besloot dat het tijd werd een LP op te nemen.
De (mono) opnamen hiervoor vonden plaats in de Northwest Sound Studios te Detroit op 7 maart 1970, maar de LP werd niet uitgebracht.
Kort daarna viel Anvil uit elkaar wegens muzikale meningsverschillen, totdat ze in 1971 besloten het samen nog eens te proberen.
Er werd besloten onder de naam Boa een nieuwe LP uit te brengen.
De live opnamen daar voor vonden plaats op een twee sporen band recorder in een Tupperware warenhuis in Auburn Heights, Michigan, dat tevens de thuisbasis van de band was, maar Manning wilde niet, dat bekend werd, dat hij op het album meespeelde, omdat hij op dat moment in een andere band zat.
Hij vermomde zich als Captain Hook en staat ook als zodanig op de hoes vermeld.
De LP "Wrong Road", die 9 songs bevat, werd 20 mei 1971 in eigen beheer uitgebracht en daarna gingen de bandleden ieder weer hun eigen muzikale weg.
Het openingsnummer heet "Never Come Back" is een lekkere uptempo song, waarbij de band een vrij progressief nummer laat horen.
Daarna volgt de titelsong "Wrong Road", eveneens een uitstekende progressieve rock song, waarbij het tempo gemiddeld te noemen is, waarna de band "You don't Want Me Anymore" speelt, een geweldige song die, mede door de stijl van spelen en het orgelgeluid, klinkt als een achtergebleven Doors nummer, waarop alleen het stemgeluid van Jim Morrison ontbreekt.
Het volgende nummer is een heerlijke rustige song, getiteld "Angelisa", waarin de band een prima progressief stukje muziek speelt.
In "Brave New World" laat de band een schitterende snelle rock song in de stijl van de jaren 60 muziek horen en in "You Tell Me You Love Me" speelt Boa een uitstekende ballad.
"I Think I Been Had" is een uptempo progressieve rock song, waarbij de rauwe zang de song net iets extra's mee geeft en "Don't Go Away" is weer zo'n prima progressief klinkende ballad, terwijl", "A Restful Sleep", het laatste en tevens langste nummer van de LP, een fantastische progressieve rock song is, waarin de nodige tempowisselingen zitten, waarbij de muziek van een rustig naar een fel tempo gaat en de zang vrij agressief klinkt.
De eerste van de 2 bonus nummers is een outtake en heet "Can't Be Real" en dit is een lekkere uptempo rock song, waarin de band een sixties gerelateerde beat song speelt.
Vervolgens staat er, als allerlaatste nummer, een andere versie van "Wrong Road" op de CD en dit is de versie, die de band opnam onder de naam Anvil.
"Wrong Road" van Boa is een lekker in het gehoor klinkende CD, die het beluisteren meer dan waard is en de uitschieter "A Restful Sleep" heet.