Gear Fab 2003-(GF-197)
In de serie Psychedelic States, staat deze keer Texas In The 60s Volume 1 centraal en hierop staan 16 bands met 18 songs.
De CD begint met The Elastic Prism uit Houston, de eerste band waarvan er 2 nummers op de CD staan en "Time hange", een song uit 1968, is een prima garagerocksong, die "In The Garden" als B-kant had, die in de Andrus Studios opgenomen en via het Kustom label uitgebracht werd.
Het tweede nummer van de band heet "I Would Have Liked You Anyway" en klinkt heerlijk, maar werd niet uitgebracht.
The Glass Kans kwam eveneens uit Houston en maakte in 1967 de poprocksong "Stick with Her", waarna de naam van de band in Michael veranderd werd en "Caretaker", een psychedelische popsong in Beatles stijl, opgenomen werd in dat zelfde jaar.
Euphoria uit Houston, kwam oorspronkelijk uit Californië en had daar in 1965 een single uitgebracht, maar nadat de band naar Houston verhuisd was namen ze 4 nummers in de Andrus Studios op, waaronder het nummer "Oh Dear, You Look Like A Dog", een schitterende psychedelische popsong met zeer humoristische tekst, waarna ze in 1967 nog een single via Mainstream uitbrachten en terug verhuisden naar Californië, waar ze in 1969 een LP voor Capitol Records maakten, getiteld "A Gift From Euphoria".
Ook The Pastels kwamen uit Houston en hadden singles uitgebracht via Push en Hickory, maar het nummer "I Wanna Know", een lekkere garagerocksong, die in 1968 opgenomen was, haalde het vinyl niet.
Uit Galveston kwam The Countdown Five, die tussen 1965 en 1969 verscheidene singles uitbracht via Cinema, Pic, Toucan en Cobblestone en dit nummer "Candy", een ruige garagerocksong, werd in 1967 opgenomen.
Uit San Antinio komt de tweede band, waarvan er twee nummers op de CD staan en deze heet The Bubble Puppy.
De eerste van de twee heet "Secrets Of The Golden Shrine" en is een fantastische psychedelische rocksong uit 1969 en de tweede "Keep Your Mouth Shut Once In A While" is een swingende garagerocksong.
Nu volgt er weer een band uit Houston, genaamd A440, die in 1966 opgericht werd en in 1967 hun eerste single uitbracht, het jaar waarin ook het schitterende psychedelische "Narenthelia Glowes In The Dark" opgenomen werd, maar helaas niet werd uitgebracht.
The Nomads uit Houston brachten in 1968 hun single "Three O'Clock" / "Situations", een song die erg veel op "Hello Little Girl" van The Syndicate Of Sound lijkt, via het Orbit label uit.
Uit Temple kwam The Reason Why en in 1966 verscheen hun single "Melinda" / "Don't Be That Way", een prima heftige garagerocksong, via het Sound Track label.
Één van de allereerste hardrock bands is ongetwijfeld Airhead uit Houston, die in 1966 de hardrocksong "You Knock Me Down" opnam.
De volgende band kwam uit Lousiana en wel uit State Line, dat aan de grens met Texas ligt, maar staat toch met het nummer "Shine You Monkey", een lekkere swingende poprocksong met hoog meezing gehalte, op deze psychedelic states.
Vervolgens krijg ik weer een band uit Houston te horen en The Crabs brachten in 1967 hun single "Chase Yourself" / "Bye Bye Little Girl", een heerlijke swingende popsong via het eigen Universal label uit.
Roy Head kwam uit San Marcos en maakte in 1967 de single "Tush Hog" / "(You're) Almost Tuff Enough", een prima mix van garagerock en Bo Diddley en dit nummer doet hier en daar wel wat aan de song "Hey Bo Diddley" denken, maar heeft toch ook een geheel eigen geluid.
Dan volgt er een band uit El Campo, genaamd Pure Jade Green, die al vanaf 1961 bestond als The Jades en van 1962 tot 1967 meer dan 30 singles uitgebracht had.
Pure Jade Green zou van 1967 tot 1972 bestaan en maakte in 1967 het nummer "How's He Gonna Find Me", een met blues invloeden overgoten poprocksong.
De laatste band van de CD komt van Neil Ford & The Fanatics uit, hoe kan het ook anders, Houston en bestond al vanaf begin jaren 60, eerst onder de naam The Ramadas en van 1965 tot 1968 onder hun nieuwe naam The Fanatics.
De band bracht onder die namen verscheidene singles uit, die via diverse labels uitgebracht werden en één van de songs was "She Is All There Is", een prima poprocksong met licht psychedelische invloeden.
Een van de bandleden, Steve Ames, zou later deel uit maken van de eerste ZZ Top formatie.
Ook deze Texas In The 60s Vol.1 is weer zo'n geweldige CD uit de collectie Psychedelic States en kan een prima aanvulling zijn op ieders collectie zestiger jaren muziek.
vrijdag 27 juli 2012
vrijdag 20 juli 2012
Review: Neutral Spirits - Neutral Spirits
Gear Fab 2003-(GF-198)
Neutral Spirits ontstond aan het eind van de jaren 60 in Decatur, Tennessee, waar een stel jonge teenagers beïnvloed werden door de muziek van bands als The Rolling Stones, Doors en Cream.
In 1970 besloten 2 school vrienden een band op te richten, dat waren Mike Gable, die al op jonge leeftijd gitaar had leren spelen en Mike Henry, die gitaar leerde spelen van zijn oudere broer Calvin, die behalve basgitaar ook saxofoon speelde en samen met hun andere broer, Rex, die drummer was, in de woonkamer van hun ouders muziek maakte.
Dit viertal besloot haast elke avond te oefenen en binnen korte tijd zochten ze al optredens, maar omdat ze nog geen naam voor de band hadden, besloten ze in het woordenboek te kijken en daar vonden ze de naam Neutral Spirits, die makkelijk uit te spreken was, makkelijk te onthouden en ze hoefden de naam niet te veranderen als ze in de kerk speelden, waar ze als begeleidingsband voor de moeder van de broers Henry fungeerden.
Als vijfde lid kwam Mickey Debusk, een high school vriend, bij de band als zanger / gitarist.
De band speelde in hun beginperiode op privé feesten en talentenjachten en later deden ze mee aan bandjes wedstrijden en speelden ze op partijen waar geld voor goede doelen ingezameld werd.
Hun eerste echte optreden was in een lokale pizza zaak, waar ze ieder 5 dollar en een gratis maaltijd verdienden, maar daarna begon het pas echt, want ze werden huisband bij de lokale rolschaatsbaan, waar ze vanaf 9 uur 's avonds tot middernacht optraden.
De publieke belangstelling voor de band werd steeds groten en daarmee ook de vraag naar het maken van een plaat.
Mike Gable, schreef al een tijd eigen nummers, die ze ook op hun repertoire hadden staan en Calvin was al diverse keren de studio in geweest als basgitarist voor verscheidene gospel opnamen en wist wie ze moesten benaderen om een LP op te nemen.
Hun album werd in 1972 in de Melody Studios te Atlanta opgenomen onder leiding van Johnny Carter (Papa John), in een oplage van 500 stuks gemaakt en tijdens hun optredens verkocht, maar de meeste exemplaren (350 stuks) gingen in 1985 tijdens een brand verloren.
Na de LP te hebben opgenomen, bleef de band nog verscheidene jaren bestaan, totdat de één naar college ging en de ander trouwde en de band daardoor geen tijd meer had om te oefenen en de optredens minder werden en de leden daarom besloten dat het wel genoeg geweest was, waardoor Neutral Spirits uit elkaar ging.
De LP Neutral Spirits, die via het Regency label werd uitgebracht bevat slechts 8 nummers en start met "Flying".
Dit is een prima klinkende popsong met een politiek getinte tekst, die gevolgd wordt door het langste nummer van de LP / CD, getiteld "Power City", een geweldige progrocksong, met een telkens terugkomend ritme, dat op den lange duur hypnotiserend begint te werken.
Vervolgens hoor ik "Look What You Done To Me", een progrocksong, waarin de zangers ieder tegelijkertijd hun eigen teksten zingen, iets dat behoorlijk moeilijk is, want je hebt meestal de neiging om met de ander mee te zingen.
Daarna volgt "Speak Freely", een heerlijke poprocksong, waarin wat countryrock invloeden zitten, die gevolgd wordt door het ruige instrumentale "Science Void".
"Holding On" is een swingende popsong en "Can't Leave It This Way" een lekkere stevige rocksong, die hier en daar qua zang wat amateuristisch klinkt, maar verder gewoon prima is.
Het laatste nummer heet "I'm Calling Chicago" en is een goede popsong, die net als de rest van de songs in een vrij hoog tempo gespeeld wordt.
De LP /CD Neutral Spirits is een lekker in het gehoor klinkende plaat, die helaas wat aan de korte kant is met slechts 27 minuten aan muziek, maar desalniettemin is deze het beluisteren meer dan waard.
Neutral Spirits ontstond aan het eind van de jaren 60 in Decatur, Tennessee, waar een stel jonge teenagers beïnvloed werden door de muziek van bands als The Rolling Stones, Doors en Cream.
In 1970 besloten 2 school vrienden een band op te richten, dat waren Mike Gable, die al op jonge leeftijd gitaar had leren spelen en Mike Henry, die gitaar leerde spelen van zijn oudere broer Calvin, die behalve basgitaar ook saxofoon speelde en samen met hun andere broer, Rex, die drummer was, in de woonkamer van hun ouders muziek maakte.
Dit viertal besloot haast elke avond te oefenen en binnen korte tijd zochten ze al optredens, maar omdat ze nog geen naam voor de band hadden, besloten ze in het woordenboek te kijken en daar vonden ze de naam Neutral Spirits, die makkelijk uit te spreken was, makkelijk te onthouden en ze hoefden de naam niet te veranderen als ze in de kerk speelden, waar ze als begeleidingsband voor de moeder van de broers Henry fungeerden.
Als vijfde lid kwam Mickey Debusk, een high school vriend, bij de band als zanger / gitarist.
De band speelde in hun beginperiode op privé feesten en talentenjachten en later deden ze mee aan bandjes wedstrijden en speelden ze op partijen waar geld voor goede doelen ingezameld werd.
Hun eerste echte optreden was in een lokale pizza zaak, waar ze ieder 5 dollar en een gratis maaltijd verdienden, maar daarna begon het pas echt, want ze werden huisband bij de lokale rolschaatsbaan, waar ze vanaf 9 uur 's avonds tot middernacht optraden.
De publieke belangstelling voor de band werd steeds groten en daarmee ook de vraag naar het maken van een plaat.
Mike Gable, schreef al een tijd eigen nummers, die ze ook op hun repertoire hadden staan en Calvin was al diverse keren de studio in geweest als basgitarist voor verscheidene gospel opnamen en wist wie ze moesten benaderen om een LP op te nemen.
Hun album werd in 1972 in de Melody Studios te Atlanta opgenomen onder leiding van Johnny Carter (Papa John), in een oplage van 500 stuks gemaakt en tijdens hun optredens verkocht, maar de meeste exemplaren (350 stuks) gingen in 1985 tijdens een brand verloren.
Na de LP te hebben opgenomen, bleef de band nog verscheidene jaren bestaan, totdat de één naar college ging en de ander trouwde en de band daardoor geen tijd meer had om te oefenen en de optredens minder werden en de leden daarom besloten dat het wel genoeg geweest was, waardoor Neutral Spirits uit elkaar ging.
De LP Neutral Spirits, die via het Regency label werd uitgebracht bevat slechts 8 nummers en start met "Flying".
Dit is een prima klinkende popsong met een politiek getinte tekst, die gevolgd wordt door het langste nummer van de LP / CD, getiteld "Power City", een geweldige progrocksong, met een telkens terugkomend ritme, dat op den lange duur hypnotiserend begint te werken.
Vervolgens hoor ik "Look What You Done To Me", een progrocksong, waarin de zangers ieder tegelijkertijd hun eigen teksten zingen, iets dat behoorlijk moeilijk is, want je hebt meestal de neiging om met de ander mee te zingen.
Daarna volgt "Speak Freely", een heerlijke poprocksong, waarin wat countryrock invloeden zitten, die gevolgd wordt door het ruige instrumentale "Science Void".
"Holding On" is een swingende popsong en "Can't Leave It This Way" een lekkere stevige rocksong, die hier en daar qua zang wat amateuristisch klinkt, maar verder gewoon prima is.
Het laatste nummer heet "I'm Calling Chicago" en is een goede popsong, die net als de rest van de songs in een vrij hoog tempo gespeeld wordt.
De LP /CD Neutral Spirits is een lekker in het gehoor klinkende plaat, die helaas wat aan de korte kant is met slechts 27 minuten aan muziek, maar desalniettemin is deze het beluisteren meer dan waard.
vrijdag 13 juli 2012
Review: Fever Tree - San Francisco Girls
Gear Fab 2003-(GF-199)
In 1966 startte de band Fever Tree te Houston, Texas, onder de naam Boswick Vine, maar dat zelfde jaar veranderde de band de naam in Fever Tree, genoemd naar een Afrikaanse boom, waarvan men zegt, dat de bast koorts werend is.
De oorspronkelijke bandleden heten: Dennis Keller, Rob Landes, E.E. Wolfe II, John Tuttle en Michael Knust.
Fever Tree bracht tussen 1968 en 1970 4 LP's uit, waarvan 3 via het UNI label ("Fever Tree", "Another Time, Another Place" en "Creation") en de vierde, "For Sale" via Ampex, terwijl er ook in die zelfde periode 10 singles van de band verschenen via het Ampex, UNI en Mainstream label.
De meeste van hun songs werden geschreven door het echtpaar Scott en Vivian Holtzman en opgenomen in de Andrus Studios, waar veel lokale bands zoals The Children hun nummers opnamen.
Na hun laatste LP begon het te rommelen binnen de band en het duurde dan ook niet lang voor Fever Tree uit elkaar ging, om in 1978 opnieuw opgericht te worden door Michael Knust, die een EP met de nieuwe Fever Tree uitbracht, getiteld "Fever Tree Returns" en de CD "Live At The Lake Charles 1978" opnam, die in 1998 op de markt kwam.
De CD "San Francisco Girls" uit 2003 bestaat uit de complete eerste LP uit 1968 plus 5 onuitgebrachte songs, een radio commercial en een nummer van een single.
De CD opent met het op single verschenen "San Francisco Girls (Return Of The Native)", een heerlijke psychedelische popsong, die rustig begint, waarna door een tempoversnelling er meer vaart in het nummer komt, om vervolgens terug te keren naar het rustige tempo.
Het volgende nummer "The Sun Also Rises" begint met prachtige klanken van zang en cello en deze schitterende popsong, waarop de band begeleid wordt door strijkers, laat de klasse van Fever Tree horen.
"Come With Me (Rainsong)" is een fantastische ballad, die eveneens de begeleiding heeft van strijkers en de volgende song is een cover van het door Neil Young geschreven "Nowadays, Clancy Can't Even Sing", die in een rustig tempo gespeeld wordt en orkest begeleiding heeft.
Ook "Unlock My Door" is een heerlijk rustig nummer, dat met orkest begeleid wordt en "Ninety-Nine And One Half", dat daarop volgt is een sublieme progressieve soulrocksong, die door soul legende Wilson Pickett geschreven werd.
In "Man Who Paints The Pictures" lijkt de band het tempo verder op te voeren en deze geweldige progrocksong, waar de band lekker ruig in te keer gaat, vind ik persoonlijk één van de beste van de LP.
Klassieke klanken zijn er in "Imitation Situation (Tocatta Fugue)" te horen en in dit schitterende nummer maakt de band een mix van klassieke muziek en psychedelische rock en dat krijgt min of meer een vervolg in "Filigree & Shadow", dat door het orkest haast klassiek klinkt, op het eind na dan want dat is ronduit experimenteel.
Dan volgt de Lennon-McCartney song "Day Tripper / We Can Work It Out en deze ruige orkestrale uitvoering klinkt fantastisch en is een waardige afsluiter van de LP.
Vervolgens hoor ik "Grand Candy, Young Sweet", een korte maar heftige song, die een zware eentonige bas toon bevat, die constant herhaald wordt.
De eerste van de onuitgebrachte songs heet "Puppet Master" en dit is een prima klinkende popsong, die lichtelijk naar de soul kant gaat en gevolgd wordt door "Don't Come Crying To Me", die eveneens in die richting zit en "You Don't See Me", waarin de soul nog meer naar voren komt, maar dit nummer is dan ook geschreven door Al Jarreau.
In "Party Anytime" gaat de band naar de jazzrock en dit instrumentale nummer klinkt fantastisch.
Als laatste song krijg ik een extra lange uitvoering van "San Francisco Girls (Return Of The Native)" te horen en deze versie, die zonder toevoeging van orkest gespeeld wordt, klinkt een stuk ruiger, dan de single.
De commercial "Houston Post Radio Commercial" sluit de CD af en deze klinkt vrij heftig.
"San Francisco Girls" van Fever Tree is weer zo'n geweldige CD, die via het Gear Fab label op de markt gebracht werd en in elke verzameling thuis hoort.
In 1966 startte de band Fever Tree te Houston, Texas, onder de naam Boswick Vine, maar dat zelfde jaar veranderde de band de naam in Fever Tree, genoemd naar een Afrikaanse boom, waarvan men zegt, dat de bast koorts werend is.
De oorspronkelijke bandleden heten: Dennis Keller, Rob Landes, E.E. Wolfe II, John Tuttle en Michael Knust.
Fever Tree bracht tussen 1968 en 1970 4 LP's uit, waarvan 3 via het UNI label ("Fever Tree", "Another Time, Another Place" en "Creation") en de vierde, "For Sale" via Ampex, terwijl er ook in die zelfde periode 10 singles van de band verschenen via het Ampex, UNI en Mainstream label.
De meeste van hun songs werden geschreven door het echtpaar Scott en Vivian Holtzman en opgenomen in de Andrus Studios, waar veel lokale bands zoals The Children hun nummers opnamen.
Na hun laatste LP begon het te rommelen binnen de band en het duurde dan ook niet lang voor Fever Tree uit elkaar ging, om in 1978 opnieuw opgericht te worden door Michael Knust, die een EP met de nieuwe Fever Tree uitbracht, getiteld "Fever Tree Returns" en de CD "Live At The Lake Charles 1978" opnam, die in 1998 op de markt kwam.
De CD "San Francisco Girls" uit 2003 bestaat uit de complete eerste LP uit 1968 plus 5 onuitgebrachte songs, een radio commercial en een nummer van een single.
De CD opent met het op single verschenen "San Francisco Girls (Return Of The Native)", een heerlijke psychedelische popsong, die rustig begint, waarna door een tempoversnelling er meer vaart in het nummer komt, om vervolgens terug te keren naar het rustige tempo.
Het volgende nummer "The Sun Also Rises" begint met prachtige klanken van zang en cello en deze schitterende popsong, waarop de band begeleid wordt door strijkers, laat de klasse van Fever Tree horen.
"Come With Me (Rainsong)" is een fantastische ballad, die eveneens de begeleiding heeft van strijkers en de volgende song is een cover van het door Neil Young geschreven "Nowadays, Clancy Can't Even Sing", die in een rustig tempo gespeeld wordt en orkest begeleiding heeft.
Ook "Unlock My Door" is een heerlijk rustig nummer, dat met orkest begeleid wordt en "Ninety-Nine And One Half", dat daarop volgt is een sublieme progressieve soulrocksong, die door soul legende Wilson Pickett geschreven werd.
In "Man Who Paints The Pictures" lijkt de band het tempo verder op te voeren en deze geweldige progrocksong, waar de band lekker ruig in te keer gaat, vind ik persoonlijk één van de beste van de LP.
Klassieke klanken zijn er in "Imitation Situation (Tocatta Fugue)" te horen en in dit schitterende nummer maakt de band een mix van klassieke muziek en psychedelische rock en dat krijgt min of meer een vervolg in "Filigree & Shadow", dat door het orkest haast klassiek klinkt, op het eind na dan want dat is ronduit experimenteel.
Dan volgt de Lennon-McCartney song "Day Tripper / We Can Work It Out en deze ruige orkestrale uitvoering klinkt fantastisch en is een waardige afsluiter van de LP.
Vervolgens hoor ik "Grand Candy, Young Sweet", een korte maar heftige song, die een zware eentonige bas toon bevat, die constant herhaald wordt.
De eerste van de onuitgebrachte songs heet "Puppet Master" en dit is een prima klinkende popsong, die lichtelijk naar de soul kant gaat en gevolgd wordt door "Don't Come Crying To Me", die eveneens in die richting zit en "You Don't See Me", waarin de soul nog meer naar voren komt, maar dit nummer is dan ook geschreven door Al Jarreau.
In "Party Anytime" gaat de band naar de jazzrock en dit instrumentale nummer klinkt fantastisch.
Als laatste song krijg ik een extra lange uitvoering van "San Francisco Girls (Return Of The Native)" te horen en deze versie, die zonder toevoeging van orkest gespeeld wordt, klinkt een stuk ruiger, dan de single.
De commercial "Houston Post Radio Commercial" sluit de CD af en deze klinkt vrij heftig.
"San Francisco Girls" van Fever Tree is weer zo'n geweldige CD, die via het Gear Fab label op de markt gebracht werd en in elke verzameling thuis hoort.
vrijdag 29 juni 2012
Review: Eternity's Children - The Lost Sessions
Gear Fab 2003-(GF-200)
Eternity's Children werden in 1965 te Cleveland, Mississippi, opgericht door Bruce Blackman - zang en keyboards en Roy Whitaker - drums, die beiden aan het Delta College studeerden.
Bij dit duo voegden zich Johnny Walker - sologitaar, Jerry Bounds - slaggitaar en Charlie Ross - basgitaar en deze groep startte onder de naam The Phantoms.
In 1966 verhuisden ze naar Biloxi en kwam Linda Lawley als zangeres bij de band, die vanaf dat moment Eternity's Children ging heten en de huisband in de nachtclub van het Biloxi Hotel werd, waar ze onder andere Charlie Rich en B.J.Thomas begeleidden.
Ze trokken de aandacht van Ray Roy, die de band live zag spelen en deze overtuigde zijn zaken partner Guy Belello ervan samen het management van de band op zich te nemen en zij vormden een maatschappij met de naam Crooked Foxx Productions and Music, die Eternity's Children een contract aan bood.
De band nam hun eerste demo op, die op het lokale Ace label werd uitgebracht, maar ook was deze bij A&M's producer Allen Stanton terecht gekomen en in het voorjaar van 1967 bracht A&M de single "Rumours" / "Wait And See" uit, die geproduceerd werd door Keith Olsen.
Ondanks een goede promotie en een toer met Strawberry Alarm Clock, The Seeds en The Blues Magoos, verkocht de single totaal niet en A&M dropte de band.
Daarna kreeg de band een contract bij Tower Records, waar ze een LP voor opnamen, die weer geproduced werd door Keith Olsen, maar nu met medewerking van Curt Boettcher.
De bedoeling was de band te veranderen in een Los Angeles pop psychedelische band, maar ook deze keer faalden ze.
Tegen de tijd dat de LP uitgebracht werd in juni 1968, waren Blackman, Bounds en Walker uit de band gestapt, omdat het rommelde het tussen de bandleden, hun management en de producers en was Mike "Kid" McClain als keyboards speler bij de band gekomen.
Dat zelfde jaar begon Eternity's Children met het opnemen van songs voor hun tweede LP, waarvoor eigen songs en covers werden gebruikt en tijdens de opname sessies werd Roy Whitaker vervangen door Bo Wagner.
De meeste van de 16 nummers van de CD "The Lost Sessions" zijn onuitgebrachte songs, die tussen 1966 en 1971 werden opgenomen.
Het eerste nummer van de CD heet "Time And Place" en is een lekker klinkende popsong met een swingend ritme en prima vocalen, die gevolgd wordt door "Can't Put A Thing Over Me", een schitterende licht psychedelische popsong, die in een vrij rustig tempo gespeeld wordt.
Daarna volgt "Cigarette" een fantastische popsong, de behalve een lekker ritme ook nog eens licht psychedelisch klinkt en gevolgd wordt door één van de beste uitvoeringen, die ik ooit gehoord heb, van "A Taste Of Honey" en dit nummer swingt van begin tot einde.
In "Hard, Hard Year" laat de band een heerlijke popsong horen waarin enkele goede tempowisselingen zitten.
Dan volgt het door David Gates, van Bread, geschreven nummer "Wait And See", dat op single uitgebracht werd en eerlijk gezegd, vind ik dit niet één van hun beste songs, maar de andere kant van de single "Rumours" vind ik wel geweldig en hierin doet de muziek me enigszins aan die van The Monkees denken.
"Girl's Song" begint met sexy zang en gaat dan over in een prachtig musical achtig nummer, waarna "Living Is Easy" volgt, een prima popsong, waarin de stem van Linda, net als trouwens in de andere songs, prima tot zijn recht komt en in dit nummer hoor ik eigenlijk pas, hoe goed ze als zangeres was.
In "Somebody's Watching You" dacht ik door de begin tonen even dat de band richting jazz, in de stijl van The Peddlers, zou gaan, maar ook hoor ik er soul en progrock invloeden in.
Vervolgens krijg ik weer een andere stijl van de band te horen in "Didn't We", waarin Linda weer schittert met haar fantastische zangtalent en in deze rustige song klinkt ze als een gelouterde zangeres uit de jaren 50.
Met "Down The Aistle" maakt de band een heerlijke mix van countryrock en gospel en "Just One Smile" is een rustige popsong in de stijl van Dusty Springfield.
Ook "Laughing Girl" staat op single en in dit country nummer neemt Bruce Blackburn de vokalen voor zijn rekening, wat hem prima af gaat en dat doet hij op de achterkant van de single "Railroad Trestle In California" eveneens en ook dit is een prima country song en hierin doet zijn stemgeluid me denken aan dat van Dr.Hook.
Het laatste nummer heet "Woman's Blues" en dit is echt een schitterende uitvoering van deze door Laura Nyro geschreven song, waarin ik nogmaals een ander aspect van de veelzijdigheid van zangeres Linda Lawley hoor.
De CD "The Lost Sessions" is weer zo'n schitterende uitgave van Gear Fab, die het minimaal verdient te worden beluisterd.
Eternity's Children werden in 1965 te Cleveland, Mississippi, opgericht door Bruce Blackman - zang en keyboards en Roy Whitaker - drums, die beiden aan het Delta College studeerden.
Bij dit duo voegden zich Johnny Walker - sologitaar, Jerry Bounds - slaggitaar en Charlie Ross - basgitaar en deze groep startte onder de naam The Phantoms.
In 1966 verhuisden ze naar Biloxi en kwam Linda Lawley als zangeres bij de band, die vanaf dat moment Eternity's Children ging heten en de huisband in de nachtclub van het Biloxi Hotel werd, waar ze onder andere Charlie Rich en B.J.Thomas begeleidden.
Ze trokken de aandacht van Ray Roy, die de band live zag spelen en deze overtuigde zijn zaken partner Guy Belello ervan samen het management van de band op zich te nemen en zij vormden een maatschappij met de naam Crooked Foxx Productions and Music, die Eternity's Children een contract aan bood.
De band nam hun eerste demo op, die op het lokale Ace label werd uitgebracht, maar ook was deze bij A&M's producer Allen Stanton terecht gekomen en in het voorjaar van 1967 bracht A&M de single "Rumours" / "Wait And See" uit, die geproduceerd werd door Keith Olsen.
Ondanks een goede promotie en een toer met Strawberry Alarm Clock, The Seeds en The Blues Magoos, verkocht de single totaal niet en A&M dropte de band.
Daarna kreeg de band een contract bij Tower Records, waar ze een LP voor opnamen, die weer geproduced werd door Keith Olsen, maar nu met medewerking van Curt Boettcher.
De bedoeling was de band te veranderen in een Los Angeles pop psychedelische band, maar ook deze keer faalden ze.
Tegen de tijd dat de LP uitgebracht werd in juni 1968, waren Blackman, Bounds en Walker uit de band gestapt, omdat het rommelde het tussen de bandleden, hun management en de producers en was Mike "Kid" McClain als keyboards speler bij de band gekomen.
Dat zelfde jaar begon Eternity's Children met het opnemen van songs voor hun tweede LP, waarvoor eigen songs en covers werden gebruikt en tijdens de opname sessies werd Roy Whitaker vervangen door Bo Wagner.
De meeste van de 16 nummers van de CD "The Lost Sessions" zijn onuitgebrachte songs, die tussen 1966 en 1971 werden opgenomen.
Het eerste nummer van de CD heet "Time And Place" en is een lekker klinkende popsong met een swingend ritme en prima vocalen, die gevolgd wordt door "Can't Put A Thing Over Me", een schitterende licht psychedelische popsong, die in een vrij rustig tempo gespeeld wordt.
Daarna volgt "Cigarette" een fantastische popsong, de behalve een lekker ritme ook nog eens licht psychedelisch klinkt en gevolgd wordt door één van de beste uitvoeringen, die ik ooit gehoord heb, van "A Taste Of Honey" en dit nummer swingt van begin tot einde.
In "Hard, Hard Year" laat de band een heerlijke popsong horen waarin enkele goede tempowisselingen zitten.
Dan volgt het door David Gates, van Bread, geschreven nummer "Wait And See", dat op single uitgebracht werd en eerlijk gezegd, vind ik dit niet één van hun beste songs, maar de andere kant van de single "Rumours" vind ik wel geweldig en hierin doet de muziek me enigszins aan die van The Monkees denken.
"Girl's Song" begint met sexy zang en gaat dan over in een prachtig musical achtig nummer, waarna "Living Is Easy" volgt, een prima popsong, waarin de stem van Linda, net als trouwens in de andere songs, prima tot zijn recht komt en in dit nummer hoor ik eigenlijk pas, hoe goed ze als zangeres was.
In "Somebody's Watching You" dacht ik door de begin tonen even dat de band richting jazz, in de stijl van The Peddlers, zou gaan, maar ook hoor ik er soul en progrock invloeden in.
Vervolgens krijg ik weer een andere stijl van de band te horen in "Didn't We", waarin Linda weer schittert met haar fantastische zangtalent en in deze rustige song klinkt ze als een gelouterde zangeres uit de jaren 50.
Met "Down The Aistle" maakt de band een heerlijke mix van countryrock en gospel en "Just One Smile" is een rustige popsong in de stijl van Dusty Springfield.
Ook "Laughing Girl" staat op single en in dit country nummer neemt Bruce Blackburn de vokalen voor zijn rekening, wat hem prima af gaat en dat doet hij op de achterkant van de single "Railroad Trestle In California" eveneens en ook dit is een prima country song en hierin doet zijn stemgeluid me denken aan dat van Dr.Hook.
Het laatste nummer heet "Woman's Blues" en dit is echt een schitterende uitvoering van deze door Laura Nyro geschreven song, waarin ik nogmaals een ander aspect van de veelzijdigheid van zangeres Linda Lawley hoor.
De CD "The Lost Sessions" is weer zo'n schitterende uitgave van Gear Fab, die het minimaal verdient te worden beluisterd.
vrijdag 22 juni 2012
Review: Horses - Horses
Gear Fab 2003-(GF-201)
DJ Dave Diamond had in de jaren 60 een populaire radio show met The Diamond Mine.
Ook organiseerde hij middag shows, avond shows en shows, die na school gehouden werden in Hollywood, Santa Monica, Beverly Hills en in de hele San Fernando vallei, waar allerlei bands in optraden, die later bekend zouden worden, zoals The Doors, Love, Iron Butterfly, The Seeds, Peanut Butter Conspiricy, The Black Sheep en The Rainy Daze.
Doordat Dave alle vrijheid kreeg om zijn programma te maken, liet hij zijn publiek kennis maken met diverse nieuwe muziekstromingen, zoals psychedelische rock en acid rock, maar ook draaide hij lange nummers van LP's, mainstream pop en soms zelfs top-40 muziek en country.
Sommige van de songs, die hij draaide, werden hits, zoals "Light My Fire" (Doors), "Pushin' Too Hard"(Seeds), "In-A-Gadda-Da-Vida" (Iron Butterfly), "Acapulco Gold" (Rainy Daze) en andere songs.
Deze laatste band zou, net als Dave, belangrijk worden bij het ontstaan van Horses, want nadat Rainy Daze een psychedelische LP had uitgebracht via UNI, maar niet tevreden was over deze maatschappij, vroegen ze Dave een ander label voor hen te zoeken en kwam de band bij het White Whale label terecht, die diverse singles van ze uitbracht, die echter niets deden.
Twee van de bandleden, Tim Gilbert en John Carter, hadden het nummer "Incense And Peppermints" geschreven, dat in 1967 een nummer 1 hit werd voor The Strawberry Alarm Clock en woonden in Los Angeles, toen hun band uit elkaar ging.
Dave was intussen verhuisd naar San francisco, waar hij een avondshow deed bij KFRC radio, één van de beste rock & roll radio stations van Amerika, toen Gilbert en Carter, die muziek voor een nieuwe LP hadden geschreven, een band zochten om dat uit te brengen.
Dave besloot zijn eigen productie maatschappij op te richten, die hij Glitter Gulch Productions noemde, om de LP uit te brengen en Black Hills Music om de songs te publiceren.
Om het project op te nemen werden verschillende studio's gebruikt, La Costa Studios te La Costa en Ventura en Pacific Sound Studios in San Francisco.
Nadat ze auditie hadden gedaan, werd de band Horses samengesteld en bestond uit: Dave Torbert, Scott Quigley, Matt Kelly, Chris Herold, Tim Hovey en Don Johnson, die de eerst geselcteerde Rich Fifefield tijdens de sessies verving, omdat laatstgenoemde toch niet in het geheel paste.
Na de LP Horses opgenomen te hebben gingen de bandleden weer hun eigen weg en Dave Torbert, Matt Kelly en Chris Herold kwamen samen met Bob Weir in de band Kingfish, Scott Quigley speelde in de Sammy Hagar Band, Don Johnson werd acteur en Tim Hovey eveneens.
Horses was dus een project, dat slechts 1 LP maakte met daarop 11 songs en deze werd in 1969 door het White Whale label uitgebracht.
De LP start met "Freight Train", een schitterende licht psychedelische song, die in een niet al te hoog tempo gespeeld wordt en gevolgd wordt door "Class Of '69", een heerlijke naar hardrock neigende popsong.
Vervolgens hoor ik "Birdie In A Cage", een geweldige popsong met prima tempowisselingen en vrij progressief bluesy ritme.
Daarna "Nothing At All", een mooie rustige popsong, waarna "Cheyenne", een bluesy popsong ten gehore gebracht wordt, op zijn beurt gevolgd door het progressieve "Run Rabbit Run (Jump For Joy)", een fantastisch ruig nummer.
"Country Boy" heeft ook duidelijke blues invloeden en deze prima popsong klinkt gewoon lekker.
Het ruig begonnen "Overnight Bag" heeft vast bands als Mud beïnvloed, getuige de sound en "Horseradish" is een schitterend instrumentaal blues nummer, dat in up-tempo gespeeld wordt.
Dan volgt "Asia Minor" een vrij progressief nummer, waarin ook weer blues invloeden te horen zijn en als laatste hoor ik "Wind", het enige nummer, dat niet door Gilbert en Carter geschreven is, maar door Dave Torbert en dit is een rustige song, waarbij Dave zingt en zichzelf begeleidt op akoestische gitaar.
De CD Horses is een schitterend product, dat niet in je muziek collectie mag ontbreken.
DJ Dave Diamond had in de jaren 60 een populaire radio show met The Diamond Mine.
Ook organiseerde hij middag shows, avond shows en shows, die na school gehouden werden in Hollywood, Santa Monica, Beverly Hills en in de hele San Fernando vallei, waar allerlei bands in optraden, die later bekend zouden worden, zoals The Doors, Love, Iron Butterfly, The Seeds, Peanut Butter Conspiricy, The Black Sheep en The Rainy Daze.
Doordat Dave alle vrijheid kreeg om zijn programma te maken, liet hij zijn publiek kennis maken met diverse nieuwe muziekstromingen, zoals psychedelische rock en acid rock, maar ook draaide hij lange nummers van LP's, mainstream pop en soms zelfs top-40 muziek en country.
Sommige van de songs, die hij draaide, werden hits, zoals "Light My Fire" (Doors), "Pushin' Too Hard"(Seeds), "In-A-Gadda-Da-Vida" (Iron Butterfly), "Acapulco Gold" (Rainy Daze) en andere songs.
Deze laatste band zou, net als Dave, belangrijk worden bij het ontstaan van Horses, want nadat Rainy Daze een psychedelische LP had uitgebracht via UNI, maar niet tevreden was over deze maatschappij, vroegen ze Dave een ander label voor hen te zoeken en kwam de band bij het White Whale label terecht, die diverse singles van ze uitbracht, die echter niets deden.
Twee van de bandleden, Tim Gilbert en John Carter, hadden het nummer "Incense And Peppermints" geschreven, dat in 1967 een nummer 1 hit werd voor The Strawberry Alarm Clock en woonden in Los Angeles, toen hun band uit elkaar ging.
Dave was intussen verhuisd naar San francisco, waar hij een avondshow deed bij KFRC radio, één van de beste rock & roll radio stations van Amerika, toen Gilbert en Carter, die muziek voor een nieuwe LP hadden geschreven, een band zochten om dat uit te brengen.
Dave besloot zijn eigen productie maatschappij op te richten, die hij Glitter Gulch Productions noemde, om de LP uit te brengen en Black Hills Music om de songs te publiceren.
Om het project op te nemen werden verschillende studio's gebruikt, La Costa Studios te La Costa en Ventura en Pacific Sound Studios in San Francisco.
Nadat ze auditie hadden gedaan, werd de band Horses samengesteld en bestond uit: Dave Torbert, Scott Quigley, Matt Kelly, Chris Herold, Tim Hovey en Don Johnson, die de eerst geselcteerde Rich Fifefield tijdens de sessies verving, omdat laatstgenoemde toch niet in het geheel paste.
Na de LP Horses opgenomen te hebben gingen de bandleden weer hun eigen weg en Dave Torbert, Matt Kelly en Chris Herold kwamen samen met Bob Weir in de band Kingfish, Scott Quigley speelde in de Sammy Hagar Band, Don Johnson werd acteur en Tim Hovey eveneens.
Horses was dus een project, dat slechts 1 LP maakte met daarop 11 songs en deze werd in 1969 door het White Whale label uitgebracht.
De LP start met "Freight Train", een schitterende licht psychedelische song, die in een niet al te hoog tempo gespeeld wordt en gevolgd wordt door "Class Of '69", een heerlijke naar hardrock neigende popsong.
Vervolgens hoor ik "Birdie In A Cage", een geweldige popsong met prima tempowisselingen en vrij progressief bluesy ritme.
Daarna "Nothing At All", een mooie rustige popsong, waarna "Cheyenne", een bluesy popsong ten gehore gebracht wordt, op zijn beurt gevolgd door het progressieve "Run Rabbit Run (Jump For Joy)", een fantastisch ruig nummer.
"Country Boy" heeft ook duidelijke blues invloeden en deze prima popsong klinkt gewoon lekker.
Het ruig begonnen "Overnight Bag" heeft vast bands als Mud beïnvloed, getuige de sound en "Horseradish" is een schitterend instrumentaal blues nummer, dat in up-tempo gespeeld wordt.
Dan volgt "Asia Minor" een vrij progressief nummer, waarin ook weer blues invloeden te horen zijn en als laatste hoor ik "Wind", het enige nummer, dat niet door Gilbert en Carter geschreven is, maar door Dave Torbert en dit is een rustige song, waarbij Dave zingt en zichzelf begeleidt op akoestische gitaar.
De CD Horses is een schitterend product, dat niet in je muziek collectie mag ontbreken.
vrijdag 15 juni 2012
Review: Gandalf The Grey - The Grey Wizard Am I
Gear Fab 2003-(GF-202)
Chris Wilson uit Glen Cove, Long Island, maakte tussen 1966 en 1974 verscheidene opnames onder de naam Gandalf The Grey en die opnames werden in 1972 onder de naam "The Grey Wizard Am I" gemaakt.
De nummers werden via een Sony stereo reel to reel tape opgenomen en de instrumenten werden stuk voor stuk op band gezet, waarbij nog opgemerkt kan worden dan Chris alle instrumenten bespeelde en alle zang voor zijn rekening nam.
Er staan 16 songs op de CD "The Grey Wizard Am I" en sommige staan ook op "The Tin Angel" (zie recensie GF-212).
Het openingsnummer is tevens de titel van de CD, een lekkere psychedelische popsong waarin een vrolijk ritme zit.
Vervolgens hoor ik "My Elven Home", dat eveneens zeer opgewekt klinkt en een prima popsong is, waarna het rustige "From The Grey Havens" te beluisteren valt en dit is een song waarbij ik op het ritme van de muziek mee begin te bewegen.
Het langste nummer van de CD heet "Here On Eight Street"(het huis adres van Chris) en dit is een heerlijke popsong met daarin enkele aardige tempowisselingen.
"Go And See" is weer zo'n lekkere vrolijke song, die gevolgd wordt door "The Christmas Song", die zijn ideeën over kerst weergeven in een prettig en opgewekt ritme gespeeld.
Dan volgt "Old Town Church" over zijn beleving van God en de kerk, gespeeld in een vrij rustig tempo.
Daarna krijg ik "The Home Coming (The Sun Is Down)" te horen, dat een uitstekende up-tempo popsong is en hierna is het de beurt voor "I Don't Know Why The People", een nummer waarin Chris zich af vraagt hoe de mensen hem zien en ook hierin zit een positief vrolijk ritme.
Nog meer positiviteit zit er in "Mr. Joe's", waarbij het moeilijk is om stil te blijven zitten en de opgewektheid springt er hier helemaal van af.
"Sunshine Down The Line" is een prima popsong, die net als de meeste andere nummers over het geloof gaat en door zijn beleving daarvan lekker vrolijk klinkt.
Wijze woorden worden gehoord in "The Future Belongs To The Children" en in dit prachtig rustig gezongen nummer is Gandalf The Grey op zijn best.
Het enige zwaardere nummer volgt nu, waarin deze keer geen positieve boodschap zit en heet "A Young Girl Just Died" en daarin is te horen, dat dit live opgenomen is, getuige het vervelende en storende geklets op de achtergrond.
De beste song van de CD vind ik "(Yesterday Comes) Before Tomorrow", een song, de ook op "The Tin Angel" voorkomt en dit is weer een andere versie van de song, maar zeker niet minder dan de andere uitvoeringen.
Ook "The Shadow Of Tomorrow" staat op "The Tin Angel" en dit is een fantastische pure popsong, eveneens over het geloof overigens, waarin Chris schittert.
Het laatste nummer is een uitstekende psychedelische popsong, getiteld "An Elven Song Of Love", waarmee de CD op een waardige manier wordt afgesloten.
Met de teksten van "The Grey Wizard Am I" zet Gandalf The Grey aan tot denken over geloof en liefde en met de positiviteit en opgewektheid die zijn muziek daarbij uitstraalt, kan je maar één ding doen en dat er aan toegeven.
Een prima CD met heerlijke muziek!
Chris Wilson uit Glen Cove, Long Island, maakte tussen 1966 en 1974 verscheidene opnames onder de naam Gandalf The Grey en die opnames werden in 1972 onder de naam "The Grey Wizard Am I" gemaakt.
De nummers werden via een Sony stereo reel to reel tape opgenomen en de instrumenten werden stuk voor stuk op band gezet, waarbij nog opgemerkt kan worden dan Chris alle instrumenten bespeelde en alle zang voor zijn rekening nam.
Er staan 16 songs op de CD "The Grey Wizard Am I" en sommige staan ook op "The Tin Angel" (zie recensie GF-212).
Het openingsnummer is tevens de titel van de CD, een lekkere psychedelische popsong waarin een vrolijk ritme zit.
Vervolgens hoor ik "My Elven Home", dat eveneens zeer opgewekt klinkt en een prima popsong is, waarna het rustige "From The Grey Havens" te beluisteren valt en dit is een song waarbij ik op het ritme van de muziek mee begin te bewegen.
Het langste nummer van de CD heet "Here On Eight Street"(het huis adres van Chris) en dit is een heerlijke popsong met daarin enkele aardige tempowisselingen.
"Go And See" is weer zo'n lekkere vrolijke song, die gevolgd wordt door "The Christmas Song", die zijn ideeën over kerst weergeven in een prettig en opgewekt ritme gespeeld.
Dan volgt "Old Town Church" over zijn beleving van God en de kerk, gespeeld in een vrij rustig tempo.
Daarna krijg ik "The Home Coming (The Sun Is Down)" te horen, dat een uitstekende up-tempo popsong is en hierna is het de beurt voor "I Don't Know Why The People", een nummer waarin Chris zich af vraagt hoe de mensen hem zien en ook hierin zit een positief vrolijk ritme.
Nog meer positiviteit zit er in "Mr. Joe's", waarbij het moeilijk is om stil te blijven zitten en de opgewektheid springt er hier helemaal van af.
"Sunshine Down The Line" is een prima popsong, die net als de meeste andere nummers over het geloof gaat en door zijn beleving daarvan lekker vrolijk klinkt.
Wijze woorden worden gehoord in "The Future Belongs To The Children" en in dit prachtig rustig gezongen nummer is Gandalf The Grey op zijn best.
Het enige zwaardere nummer volgt nu, waarin deze keer geen positieve boodschap zit en heet "A Young Girl Just Died" en daarin is te horen, dat dit live opgenomen is, getuige het vervelende en storende geklets op de achtergrond.
De beste song van de CD vind ik "(Yesterday Comes) Before Tomorrow", een song, de ook op "The Tin Angel" voorkomt en dit is weer een andere versie van de song, maar zeker niet minder dan de andere uitvoeringen.
Ook "The Shadow Of Tomorrow" staat op "The Tin Angel" en dit is een fantastische pure popsong, eveneens over het geloof overigens, waarin Chris schittert.
Het laatste nummer is een uitstekende psychedelische popsong, getiteld "An Elven Song Of Love", waarmee de CD op een waardige manier wordt afgesloten.
Met de teksten van "The Grey Wizard Am I" zet Gandalf The Grey aan tot denken over geloof en liefde en met de positiviteit en opgewektheid die zijn muziek daarbij uitstraalt, kan je maar één ding doen en dat er aan toegeven.
Een prima CD met heerlijke muziek!
vrijdag 8 juni 2012
Review: Blue Max - Limited Edition
Blue Max was een rock trio uit Amherst, Nova Scottia, Canada en werd in 1973 opgericht en bestond uit de tieners Robert Graves - zang en sologitaar (15 jaar), George Douglas - drums (15 jaar) en Andrew Douglas - basgitaar (12 jaar).
Door eindeloos veel te oefenen en doorzettingsvermogen, kreeg de band vanaf 1974 optredens, meestal op high school feesten, die gedurende de weekends gehouden werden en al in hun beginperiode schreven ze eigen songs, die ze tijdens optredens uitprobeerden.
Tijdens hun kerstvakantie in 1976 gingen ze naar Halifax om in de studio hun LP "Limited Edition" op te nemen, die kort daarna in een beperkte oplage van 1000 stuks verscheen met daarop 10 eigen songs.
Kort na de release begon Blue Max ook in Café's en op school feesten te spelen, ondanks het feit dat ze eigenlijk te jong daarvoor waren en ontdekten op die manier een heel nieuw soort publiek.
Ook begonnen ze hun optredens te promoten in de streken rond Maritimes, gedurende de zomervakanties en meer dan 2 jaar was de band regionaal succesvol, maar na 7 jaar samen te hebben gespeeld, voelden ze dat het tijd werd voor verandering en hing Blue Max uit elkaar en wat overgebleven is zijn de opnamens van de LP plus 2 onuitgebrachte songs, waarmee de CD afgesloten wordt.
Het openingsnummer heet "Sweet Lovin'" en is een schitterende korte rocksong, waarin invloeden van hard- en progrock te horen zijn, die gevolgd wordt door "Prisoner", een vrij commerciële rocksong met prima stevig tempo.
Vervolgens hoor ik het swingende "Life Long", een heerlijke rocksong, die tegen hardrock aan zit met een hoofdrol voor de sologitaar.
Daarna krijg ik "Teaser" te horen, dat ook redelijk de hardrock kant op gaat en ook hierin eist de sologitarist de aandacht op met een lekkere solo.
Dan komt het langste nummer van de CD, getiteld "March Of The Trolls", een fantastische progressieve rocksong, waarin enkele goede tempowisselingen zitten.
"The New One" begint als een ballad, maar verandert plotseling van ritme en snelheid in een prima rocksong en gaat daarna over in een bluesy rock, waarna de band weer terugschakeld naar de rock.
Ook "Your Friends" is een lekker klinkende rocksong met een aanstekelijk ritme, waarbij het moeilijk is stil te blijven zitten en "I Need You", een prima powerpopsong, zou in de begintijd van de jaren 80 gemaakt kunnen zijn.
Ook "The Hooker" wasemt die sfeer uit en deze rocksong is bovendien voorzien van enkele knappe tempowisselingen en het laatste nummer van de LP is het korte "Freight Train", een snelle rocksong met punk uitstraling.
De eerste van de bonus tracks heet "Something On My Mind" en is een uitstekende rocksong met een lekker aanstekelijk ritme en het nummer swingt.
Het allerlaatste nummer van de CD is een hardrocksong, die Tomorrow's Sorrow" heet en dit is ongetwijfeld het beste nummer van de CD, dat in de stijl van de huidige hardrock bands zit en Blue Max was hun tijd dus ver vooruit met deze song.
Zware dreunende gitaren en drums in een vrij ééntonig ritme met agressieve zang maken dit tot het hoogtepunt van de CD.
Ook deze uitgave van Gear Fab is er één om te koesteren en de CD van Blue Max verdient het dus om aanrader genoemd te worden.
Abonneren op:
Posts (Atom)